spelles 'zakdoekje' (25 minuten)
Inleiding: Wie niet lopen wil (5 minuten)
Je zingt het liedje 'wie niet lopen wil, wie niet lopen wil, wie niet lopen wil staat stil (2x)'. Hierbij lopen de kinderen door de zaal. Op het woordje stil, staan ze ook stil. Het lopen kun je vervangen door huppelen, rennen, sluipen, kruipen, hinkelen, huppen, springen, etc.
Kring maken (2 minuten)
Je laat de kinderen na de inleiding op één lijn staan. Iedereen pakt elkaar bij de hand. (zeg er bij dat de handen vast moeten blijven tot jij zegt dat ze los mogen). Zelf ga je aan een uiteinde staan en je pakt de hand van het kind naast je vast. Nu zing je: 'we maken een kringetje van jongens en van meisjes, we maken een kringetje van tralala'. Ondertussen loop je naar het kind aan de andere kant toe, en je pakt de hand vast. Nu heb je een kring.
Kern 1: poppenkraam (7 minuten)
Je vertelt het verhaal van de poppenkraam. Ergens, in een land hier ver vandaan, staat een poppenkraam. Een meneer maakte poppen en verkocht ze in zijn eigen winkel. Maar toen de man eens op reis moest, gebeurden er heel vreemde dingen in de poppenkraam. Luister maar... En je zingt het liedje: 'ik stond laatst voor een poppenkraam, o, o, o. Daar zag ik mooie poppen staan, zo, zo, zo. De poppenkoopman ging op reis, de poppen raakten van de wijs. Ze deden allemaal zo, ze deden allemaal zo, ze deden allemaal zo'. Op de laatste regel doe je een beweging voor, en alle kinderen mogen die beweging nadoen. Als de kinderen het spel snappen, kun je een kind in de kring vragen. Hij/zij mag dan de bewegingen voordoen.
Kern 2: zakdoekje leggen (7 minuten)
Alle kinderen gaan in de kring zitten. Neem een zakdoekje (als je dat niet hebt, kan het spel ook met een pittenzak gespeeld worden) en leg het spel uit. Zing het liedje: 'zakdoekje leggen, niemand zeggen. Ik heb de hele nacht gewaakt, 2 paar schoenen heb ik afgemaakt. Eén van stof en één van leer. Hier leg ik mijn zakdoekje neer. Kijk voor je, kijk achter je, wie 'em heeft die moet gaan rennen.' Op het eerste stuk van het liedje loopt een kind met het zakdoekje buiten de kring rond. De andere kinderen doen hun ogen dicht en zingen het lied. Op de zin 'hier leg ik mijn zakdoekje neer' legt het kind de zakdoek achter één van de kinderen. Op het stuk 'kijk voor je, kijk achter je' kijken de kinderen in de kring wie de zakdoek heeft. Het kind dat de zakdoek heeft neergelegd begint te rennen. Het kind dat de zakdoek heeft rent achter dit kind aan. Het eerste kind probeert nu op de lege plek in de kring te gaan zitten. Als dat lukt voordat het andere kind hem/haar tikt, heeft hij/zij gewonnen. Nu mag het andere kind gaan lopen.
Afsluiting: waar ligt het zakdoekje? (4 minuten)
Eén kind mag midden in de kring gaan liggen met gesloten ogen. Een ander kind krijgt van jou het zakdoekje en mag dat op het lichaam van het kind neerleggen. Het kind moet nu raden waar het zakdoekje ligt.
gymles pittenzakken
Inleiding: Lopen met de pittenzak
De kinderen krijgen allemaal een pittenzak. Ze lopen daarmee door de zaal. Je geeft opdrachten. Bijvoorbeeld: leg de pittenzak op je hoofd, op je voet, op je hand, op je billen, etc. De pittenzak moet natuurlijk niet op de grond vallen! Laat de kinderen zelf ook ideetjes aandragen.
Kern 1: Gooien
Nu gaan de kinderen de pittenzak in de lucht gooien en weer opvangen. De meeste kinderen zullen de pittenzak eerst heel hoog in de lucht gooien. Laat zien dat het gemakkelijker is om de pittenzak te vangen als je niet zo hoog gooit. Als het goed gaat, kun je steeds een beetje hoger gooien. Laat de kinderen experimenteren.
Als dit goed gaat, zet je de kinderen 2 aan 2 tegenover elkaar. Ze mogen de pittenzak met elkaar overgooien. Wie kan het beste vangen? Laat de kinderen tellen hoe vaak ze kunnen overgooien.
Kern 2: Houd je vijver schoon
Vertel het verhaal van de kikker die in een vijver woont. Een vervelende kikker gooit steeds snoeppapiertjes (lees pittenzakken) in zijn vijver (lees speelzaal). Willen de kinderen hem wel helpen met opruimen? Er is alleen één probleempje: de vervelende kikker (lees de juf of meester) gooit de snoeppapiertjes steeds weer in de vijver!
Het spel gaat beginnen als jij alle pittenzakken uit de bak hebt gegooid (dit is de afvalbak). De kinderen brengen zo snel mogelijk alle pittenzakken terug in de bak, terwijl jij alles er weer uit gooit. Het spel is afgelopen als alle pittenzakken in de bak zitten. Zo kun je tussendoor steeds even rust in bouwen.
Afsluiting: Waar ligt de pittenzak?
Alle kinderen zitten langs de muur. Eén kind komt ervoor liggen en sluit de ogen. Een ander kind krijgt van jou een pittenzak. Deze mag hij/zij ergens op het lichaam van het kind leggen. Dat kind moet nu zeggen of aanwijzen waar de pittenzak ligt. De oudere kinderen kunnen het zeggen (bijvoorbeeld 'op mijn knie'). De jongere kinderen mogen ook aanwijzen. |
|